Fokkerijdoelen voor het Fjordenpaard

Beschrijving van het ras

  1. Houdt het fjordenpaard raszuiver.

  2. Bewaar de originele kleuren van het ras en de oeraftekeningen. Alle variaties van de geaccepteerde Fjordenpaardkleuren moeten behouden blijven. Voorkom het doorfokken van aftekeningen welke niet typisch zijn voor het ras. (Een kleine kol kan geaccepteerd worden.

  3. Het gestelde foktype moet bewaard blijven; Klein en welgevormd hoofd, plat voorhoofd,
    heldere en kalme expressie, rechte of licht gewelfde neusrug, kleine, met de punt naar voren gerichte en breed uit elkaar geplaatste oren.

  4. Omdat het fjordenpaard nu veel gebruikt wordt als rijpony moet de hals iets langer worden
    en soepeler zijn. Bij het fokken van de fjordenpaarden moet dit in gedachten worden gehouden. De hals moet de juiste vorm hebben met een natuurlijke boog, kenmerkend voor het fjordenpaard.

  5. Het paard moet voldoende diep en breed zijn in de borstomvang en ribbenkas.

  6. De schoft moeten goed geplaatst en lang zijn, zodat een goede positie voor het zadel
    gewaarborgd is en tevens de spieren van schouders en rug een goede aanhechtingsplaats hebben.

  7. De rug is matig van lengte als deze dezelfde lengte heeft als de schouder. Rug en lendenen moeten goed bespierd zijn. Vooral de lendenen zijn enorm belangrijk als brug  tussen voor- en achterhand en moeten dus extra aandacht hebben.

  8. De overgang tussen de lendenen en de croup moet vlak en regelmatig zijn, de vorm van de achterhand kan varieeren, het is belangrijk dat rug, lendenen en croup met elkaar in harmonie zijn. Een overbouwd paard is niet gewenst.

  9. De schenkel en broek moet sterk en goed ontwikkeld zijn en tevens voldoende vlees dragen, ook als het dier van achteren wordt bekeken moet dit er zo uitzien.

  10. Het spronggewricht moet goed ontwikkeld en goed gesteld zijn. De sprong moet groot zijn in verhouding met het paard, breed en diep met een goed gemarkeerde punt. Smalle, onderontwikkelde en te rechte spronggewrichten zijn niet gewenst. Reebenen zijn ongewenst in de fokkerij terwijl piephakken niet erfelijk zijn en vroeger vaker voorkwamen. 
    De kriteria voor goede spronggewrichten zijn dezelfde als bij andere rassen.

  11. Bij het pijpbeen wordt gekeken naar de lengte, omvang en grootte. De pezen moeten duidelijk afgetekend zijn en alle benen en gewrichten moeten droog en zonder schiefels zijn. Een kort breed pijpbeen is gewenst en de voorknie moet lang, plat en welgevormd zijn. Gewrichten en botten en pezen moeten groot, stevig en vrij van ontsierende gebreken zijn. Schiefels kunnen worden veroorzaakt door een klap of stoot maar kunnen ook erfelijk zijn.

  12. De koten moeten iets langer zijn dan de lengte van een normale hoefwand, (van voren bekeken) Voor het tegenwoordige gebruik van het fjordenpaard is een iets langere koot gewenst, maar deze mag nooit een weke stand vertonen. De verhouding tussen romp en benen moet harmonisch zijn.

  13. Wat betreft de hoeven moet men bij het jureren erg voorzichtig zijn. Het is moeilijk te zeggen of een slechte vorm van de hoef een erfelijk gebrek is, of te wijten aan een onbekwame hoefsmid. Men moet beoordelen wat men ziet.

  14. De kwaliteit en vorm van de hoeven is vooruitgegaan maar er is nog steeds ruimte voor  verbetering. Een smalle hoef is niet ongewoon bij een fjordenpaard. De hoef is dan in verhouding van onderen te smal t.o.v. omvang bij de kroonrand, de straal is minder goed geconstrueerd en de verzenen kunnen wat verticaal zijn. Dit is uiteraard ongewenst.
    Goede hoeven zijn zo belangrijk, dat ze het eerste moeten zijn wat beoordeeld wordt en het zou een belangrijke rol moeten spelen bij de primering.

  15. Het fjordenpaard moet een goed temperament bezitten om veilig bereden en aangespannen te worden. Dit is natuurlijk ook afhankelijk van de wijze waarop het dier behandeld is, zodat dit moeilijk te beoordelen is. Een slecht karakter bij een paard moet niet verward worden met de levendigheid van een jong paard.

  16. De beoordeling van de gangen is eveneens heel belangrijk. Het dier moet goed in balans lopen met een goede takt en een goede voorwaartse stuwkracht. Het fjordenpaard moet vrij vlak en ruim en niet kort of nauw bewegen. Overdreven verheven beweging is niet gewoon. De galop moet uitgebalanceerd zijn met voldoende ruimte in de sprong.